Het water rond Bonaire is sinds 1979 beschermd gebied, een van de oudste marine parken ter wereld. Wat dat voor een duiker betekent, staat hieronder.
De consequentie voor een duiker is klein en absoluut: niets aanraken, niets meenemen, niet ankeren, geen handschoenen zonder ontheffing. Wie langer dan een jaar niet op Bonaire heeft gedoken, doet eerst een oriëntatieduik bij een duikschool. Dat is geen formaliteit maar de manier waarop het park zijn regels doorgeeft.
Wie op Bonaire duikt of snorkelt ziet vrijwel zeker een schildpad. Dat is geen toeval: het eiland heeft zowel de zeegrasvelden waar jonge dieren opgroeien als de riffen waar volwassen dieren foerageren, op enkele kilometers van elkaar.
Eet als volwassen dier vrijwel uitsluitend zeegras en algen. Jonge dieren groeien jarenlang op in de ondiepe baaien voordat ze naar open zee trekken. Dit is de soort die je ziet grazen met de kop in het gras.
Eet sponzen en houdt zich op de rifhelling op. Te herkennen aan de smalle, snavelachtige bek en de overlappende schilden. Wereldwijd ernstig bedreigd; het rif van Bonaire is een van de plekken waar de soort nog gewoon is.
De zwaarste kop van de drie, met krachtige kaken voor schelpdieren. Nestelt hier onregelmatig en wordt onder water maar zelden gezien.
Het aantal nesten schommelt sterk per jaar en per strand; één goed of slecht seizoen zegt weinig over de trend. Wij noemen daarom geen jaartotaal, maar verwijzen naar de meerjarige tellingen van de monitoringorganisatie.
Het rif van Bonaire begint zo dicht bij de kant dat snorkelaars en duikers grotendeels dezelfde soorten zien, alleen op andere diepte. Hieronder de soorten die je bij vrijwel elke duik of snorkeltocht tegenkomt, gerangschikt naar waar ze zich ophouden.
Zwart-geel gestreept, in scholen vlak onder de oppervlakte. De eerste vis die je ziet.
Diepblauw, graast in groepjes over algen. Jonge dieren zijn knalgeel.
Geel gestreept, hangt overdag stil in scholen bij koraalkoppen.
Klein en overal; poetst grotere vissen bij poetsstations.
Lang en dun, hangt verticaal tussen gorgonen om niet op te vallen.
Zilver met gele streep en staart, nieuwsgierig rond snorkelaars.
Knabbelt hoorbaar aan koraal en produceert zo een groot deel van het witte zand.
Geel-blauw met een kroonvlek op het voorhoofd; meestal in paren.
Zwart met gele schubranden, laat duikers dicht naderen.
Oogvlek achterop die roofvissen op het verkeerde been zet.
Driehoekig en traag, zoekt hapjes in het zand tussen het koraal.
In spleten, met open bek om te ademen — geen dreiging, wel afstand houden.
Paarsblauwe wolken die in de stroming boven de rifrand hangen te foerageren.
Elektrisch blauw, in losse zwermen net boven het koraal.
Donker met lichte vinranden; nieuwsgierig en houdt zich vaak bij duikers op.
Grote baars die stil bij een koraalkop wacht tot er iets langskomt.
Zilveren reus tot twee meter; hangt overdag in de schaduw, jaagt in de schemering.
In snelle groepen langs de rifrand, vaak op jacht boven een school kleine vis.
Staat als gras rechtop uit het zand en verdwijnt zodra je te snel nadert.
Zweeft boven zijn holletje; het mannetje broedt de eieren uit in zijn bek.
Platvis met blauwe ringen die zich in het zand ingraaft; makkelijk over het hoofd te zien.
Ligt half onder het zand en foerageert ’s nachts. Nooit achterna zwemmen.
Gevlekt, met een lange staart; trekt meestal in het blauw voorbij.
Ligt roerloos op het zand tot hij in één beweging toeslaat.
Deze soorten zitten er wel, maar alleen als je langzaam duikt en weet waar je moet zoeken. Een lamp helpt, ook overdag.
Ziet eruit als een spons, beweegt niet. Vaak gemeld bij Bari Reef, La Machaca en Ebo’s Special.
Met de staart om een gorgoon of sponsvoet. Niet aanraken en niet met flits van dichtbij.
Perfect gecamoufleerd op de bodem, met giftige stekels. Kijk waar je je hand neerzet — of zet hem nergens neer.
Kruipt overdag over het zand tussen de koraalkoppen door.
In een anemoon, bij een poetsstation waar grote vissen in de rij liggen.
Vooral ’s nachts, verraden door een hoopje lege schelpen voor het hol.
Na zonsondergang wisselt de bezetting: papegaaivissen slapen in een slijmcocon, kreeften en slangsterren komen uit de spleten, inktvissen jagen langs de steigers en tarpon gebruiken je lamp om te jagen. Richt je licht niet vol in de ogen van slapende vissen en laat de tarpon hun werk doen.
De koraalduivel (Pterois volitans) hoort hier niet thuis en heeft geen natuurlijke vijanden. Hij eet jonge rifvis in grote hoeveelheden. Op Bonaire wordt hij actief bestreden door duikers met een ontheffing en een speciale speer; zonder die ontheffing mag je niet jagen. Zie je er een, meld dan de plek en de diepte bij STINAPA of je duikschool.
Vuurkoraal, schorpioenvissen en borstelwormen leren zich vanzelf aan wie ze eenmaal heeft aangeraakt. Voer geen vis, ook geen brood: gevoerde muraenes en tarpon verliezen hun schuwheid en bijten sneller. En houd je vinnen omhoog boven het rif; de meeste schade komt niet van handen maar van voeten.
Bonaire geldt al decennia als een van de best bewaarde riffen van het Caribisch gebied. Dat is minder een natuurwonder dan een bestuurlijke keuze: vroege bescherming, geen ankers, geen visserij met netten op het rif. Het maakt het rif niet immuun — alleen minder beschadigd dan de buren.
Bij aanhoudend hoge zeewatertemperatuur stoot koraal zijn algen af en verbleekt. Herstel kan, mits het water op tijd afkoelt en er geen tweede hittegolf overheen komt. Bonaire kreeg zware bleking te verwerken in 2010 en opnieuw tijdens de Caribische hittegolf van 2023.
Stony coral tissue loss disease tast tientallen soorten aan en gaat snel. De ziekte trok vanaf 2014 door het Caribisch gebied; over het jaar waarin Bonaire de eerste bevestigde gevallen kreeg, lopen de bronnen uiteen. Duikers wordt gevraagd uitrusting te ontsmetten tussen eilanden.
De massale sterfte onder de zwarte zee-egel Diadema in 1983 haalde een van de belangrijkste grazers weg; in 2022 trof een nieuwe sterfgolf de Caribische populaties. Waar grazers verdwijnen wint alg terrein op koraal.
Afspoeling van onverharde wegen, bouwterreinen en afvalwater brengt sediment en voedingsstoffen op het rif. Dat voedt alg en verstikt jonge koraalkolonies — een landprobleem met een uitkomst onder water.
In kwekerijen langs de westkust groeien stukjes staghorn- en elkhornkoraal aan hangende structuren, om na een jaar terug op het rif te worden geplaatst. Het werkt voor snelgroeiende, vertakte soorten en het is geen vervanging voor een gezond rif: uitplanten lost warm water en afspoeling niet op. Sommige kwekerijen liggen bij bekende duikplekken; blijf erbuiten, ook als er geen boei ligt.
Koraal herken je aan de groeivorm, niet aan de kleur — die verschilt per diepte en per licht. Vier groepen maken samen vrijwel alles wat je op het rif van Bonaire ziet staan.
Ronde bol met kronkelende groeven. Groeit enkele millimeters per jaar; een bol van een meter is een eeuw oud.
Dikke, bolle kolonies met grote poliepen die ’s nachts uitstaan als bloemen.
Bouwt zuilen en terrassen op de helling. Was ooit de belangrijkste rifbouwer van het Caribisch gebied.
Dunne, golvende platen die als bladeren over elkaar liggen; vooral op beschutte plekken.
Rechtopstaande zuilen, zeldzaam en beschermd. Te zien bij Petries Pillar.
Brede geweitakken in de branding. Sinds de jaren tachtig grotendeels verdwenen; staat nog bij Boka Bartol en Nukove.
Dunne, vertakte takken. Groeit relatief snel en is daarom de hoofdsoort in de kwekerijen.
Dikke, stompe vingers op het rifdak; jonge vis schuilt ertussen.
Geen echt koraal maar een hydroïdpoliep. Mosterdgeel met witte randen, brandt bij aanraking.
Paarse waaier die haaks op de stroming groeit. Breekt makkelijk en herstelt pas na jaren.
Verende pluimen die het rifdak bij lichte stroming laten golven.
Dikke, rechtopstaande vingers met korte poliepen; voelt leerachtig, niet aanraken.
Ondanks de naam wit tot bruin van kleur; het skelet eronder is zwart. Vanaf vijfentwintig meter, tientallen jaren oud.
Ton van meer dan een meter, honderden jaren oud. Er passen twee duikers naast, niet erin.
Bundels lange buizen op de diepere helling; het handelsmerk van de wanden van Klein Bonaire.
Brede oranje platen in overhangen, vaak met slangsterren erop.
Grijsbruine bollen op het rifdak; filtert per dag duizenden liters water.

Wat er van het rif op het strand belandt: afgebroken vinger- en vuurkoraal, schelp en steen. Eigen opname.
Een paar nachten per jaar, meestal in de weken na volle maan in september en oktober, laten hele kolonies tegelijk eitjes en zaad los. Het water vult zich met roze bolletjes die naar de oppervlakte drijven. Onderzoekers vangen die gameten op om er in het lab larven van te kweken. Duik je erdoorheen: raak niets aan en houd je licht laag.
Bonaire krijgt ruwweg vijfhonderd millimeter regen per jaar, vrijwel alles tussen oktober en januari. De begroeiing is daarop gebouwd: doornig, traag en met wortels die dieper reiken dan de plant hoog is. Na een goede bui staat het eiland binnen een week groen.
Groeit door de constante passaat scheef naar het zuidwesten. Het bekendste natuurlijke kompas van het eiland; de peulen werden vroeger uitgevoerd voor het looien van leer.
Staat het jaar rond kaal en bloeit dan in één keer felgeel, een paar dagen na een flinke regenbui. De naam betekent bijlbreker: het hout is loeihard.
Pokhout, met blauwe bloemen en hout dat in water zinkt. Eeuwenlang gekapt voor scheepsassen; oude exemplaren zijn zeldzaam en beschermd.
Staat op steltwortels in het brakke water van Lac. Kraamkamer voor rifvis en kustverdediging in één.
De doornige mesquite die grote delen van het binnenland vult. Geiten eten de peulen en verspreiden zo de zaden.
Kalebasboom met vruchten die als schaal en muziekinstrument werden gebruikt.
Zuilcactus tot negen meter. De vrucht is eetbaar en de stengels gaan in de traditionele soep; oude stammen dienden als omheining.
Dunnere zuilcactus, dicht op elkaar geplant als levende afrastering rond kunuku’s.
Schijfcactus met gele bloemen en fijne haakjes die erger zijn dan de grote stekels.
Bolcactus met een rode kroon bovenop. Beschermd; graaf hem niet uit en ga er niet op zitten.
Breed zeegras in de ondiepe baaien; het hoofdvoedsel van de groene zeeschildpad.
Dunner zeegras dat tussen het schildpadgras staat; samen vormen ze de kraamkamer van Lac.
Ronde leerachtige bladeren vlak achter de vloedlijn; houdt het zand vast.
Lage, vlezige planten rond de pekelmeren, een van de weinige soorten die daar overleeft.
Op grote schaal verbouwd in de negentiende en twintigste eeuw; verwilderd nog overal langs de wegen te vinden.
Grote schaduwboom bij oude kunuku’s, met zure peulen voor stroop en drank.
Het graan van de kunuku, verbouwd achter muurtjes van gestapelde steen die het regenwater vasthouden.
Het eiland kent geen seizoenen maar buien. Valt er in oktober of november een flinke regen, dan bloeit de kibrahacha binnen een week en kleurt het binnenland groen; blijft de regen uit, dan blijft alles grijs en doornig. Wie in de droge maanden komt, ziet hetzelfde eiland in een andere staat, niet in een slechtere.
Bonaire heeft geen inheemse landzoogdieren van betekenis; wat er rondloopt is grotendeels door mensen gebracht. De vogels en reptielen zijn wel van hier, en een aantal komt nergens anders voor.
Broedt in de Pekelmeer, een van de weinige broedplaatsen in het Caribisch gebied. De broedplaats is gesloten gebied: kijk vanaf de weg en gebruik geen drone.
De geelvleugelamazone, luidruchtig in de vroege ochtend en avond. Komt op het halfrond nog maar op een handvol plekken voor.
Kleinere parkiet, in groepjes rond de kunuku’s en de stad.
Oranje-zwart, met een hangend nest en een fluitende roep die je overal hoort.
De spotlijster die op je terras komt eten en het geluid van andere vogels nadoet.
De suikerdiefje: klein, geel en direct bij elke suikerpot.
Roofvogel die langs de weg loopt en aas eet; vaak in het noorden gezien.
In de salinas en mangroven van Lac, samen met zilverreigers en steltlopers op doortrek.
Tot anderhalve meter met staart. Wordt op het eiland gegeten in soep; bij parkeerplaatsen aan bezoek gewend — niet voeren.
Kleine boomhagedis die alleen op Bonaire voorkomt. Het mannetje zet een oranje keelvlag op.
De snelle renhagedis die overal onder de struiken schiet. Het mannetje kleurt blauw — vandaar de naam.
Kleine gekko op muren en boomstammen, ’s avonds actief bij lampen.
De enige slangensoort van het eiland: hooguit twintig centimeter, ongevaarlijk, eet termieten en mieren. Waarschijnlijk door mensen ingevoerd. Er leven geen boa’s of andere reuzenslangen op Bonaire — die zitten op Aruba — en in het water zwemmen geen zeeslangen.
Acht tot negen soorten, afhankelijk van de bron: één viseter, vijf insecteneters en twee nectareters. De nectareters zijn de enige dieren die de zuilcactussen bestuiven — zonder hen geen kadushi. Ze slapen in grotten; die bezoek je alleen met een gids.
In de zeventiende eeuw ingevoerd als lastdier, nu verwilderd. Ze lopen los langs de wegen in het zuiden: rijd ’s nachts langzaam.
De grootste druk op de begroeiing: jonge bomen komen zonder afrastering niet boven kniehoogte uit.
Landkrabben die na regen massaal oversteken; op sommige wegen staan borden.

De ezels zijn in de zeventiende eeuw ingevoerd als lastdier en na de zoutwinning losgelaten. Een deel loopt nog vrij rond in het zuiden, een deel leeft in het opvangcentrum. Ze zijn aan mensen gewend en komen op auto’s af — voeren maakt dat erger, niet beter. Eigen opname.
Niets voeren, ook geen leguaan of ezel: gevoerde dieren gaan bij mensen bedelen en belanden op de weg. Geen drones boven de flamingo’s of de broedplaats. Rijd stapvoets waar ezels lopen en geef geiten geen etensresten. Een aangereden dier meld je bij het Donkey Sanctuary of STINAPA.
Het eiland heeft weinig insecten die je hinderen, maar de soorten die dat wel doen, doen het grondig. Bijna alles draait om regen: valt er water, dan is er binnen twee weken muggenbroed.
De gelekoortsmug (Aedes) steekt overdag en in de schemering en broedt in klein stilstaand water: een emmer, een plantenschotel, een oude band. Culex is de avond- en nachtmug. Na de regenmaanden oktober tot januari zijn het er het meest.
Bijna onzichtbaar, steekt bij zonsopkomst en zonsondergang, vooral bij de mangroven en salinas. Muskietengaas houdt ze niet tegen — ze passen erdoorheen.
Overal waar eten staat. Een spoor over het aanrecht binnen een uur is normaal, geen teken van vuil.
De bruine bolnesten in bomen en op palen zijn termieten. Ze eten dood hout en zijn de hoofdmaaltijd van de zilverslang.
Twee kleine soorten. Een steek doet pijn als een wespensteek en is voor gezonde volwassenen niet gevaarlijk. Schud schoenen uit die buiten stonden.
De grote, vliegende soort. Hoort bij het klimaat, niet bij de hygiëne van je accommodatie.
Na regen verschijnen ze massaal; de gele monarchvlinders zijn de opvallendste. Libellen boven de salinas jagen op muggen.
Bestuiven de kadushi-bloemen overdag; de vleermuizen nemen de nacht voor hun rekening.